Aansprakelijkheid IGZ

Aansprakelijkheid van de Inspectie Gezondheidszorg voor falend toezicht.
Reeds in 2009 publiceerde Prof. Dr. Jan van Dijk criminoloog Instituut Intervict Universiteit van Tilburg mede op initiatief van SIN-NL het rapport:
Leemten in de slachtofferhulpverlening, waarin hij aantoonde, mede door falen van de IGZ, dat de positie van slachtoffers van medische fouten dringend verbeterd diende te worden:
Rapport Leemten in de slachtofferhulpverlening 2009
Uittreksel “Leemten in de slachtofferhulpverlening” 2009

Conclusie SIN-NL, mede op grond van onderstaande samenvatting:
Medische fouten zijn de verantwoordelijkheid van artsen en verpleegkundigen.
Medische fouten treffen weerloze zieke medemensen: patienten.
Intensieve, voortdurende controle van medisch handelen is een algemeen maatschappelijk belang.
De IGZ heeft een handelings- en handhavingsplicht, maar heeft tot nu toe aanzienlijk gefaald.
Ook de patient zouden meer mogelijkheden tot directe controle moeten worden aangereikt, oa
– via het direct ontvangen van een kopie van het verslag van het consult, conform de WGBO,
– het recht op autorisatie (=schriftelijke goedkeuring) cq de plicht tot autorisatie door de patient van consulten, brieven cq het medisch dossier, als voorwaarde voor rechtsgeldigheid
– de plicht tot melding aan de patient omtrent meldingen inzake calamiteiten aan de IGZ, conform en in aanvulling op art 4 Kwaliteitswet Zorginstellingen
-melden van calamiteiten met informatie omtrent de naam van de verantwoordelijke zorgverlener

In onderstaande scriptie heeft Mr J. Streekstra- van Lieshout op heldere wijze de juridische verantwoordelijkheid van de Inspectie Gezondheidszorg uiteengezet.
Scriptie Nederlands Recht J. Streekstra-van Lieshout, september 2011.pdf

Pag. 8 en pag. 11 noemen art 36 Gezondheidswet als grond voor de handhavingsplicht van de IGZ:
Artikel 36
1. Er is een Staatstoezicht op de volksgezondheid, ressorterend onder Onze Minister, dat bestaat uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen onderdelen en dat tot taak heeft:
a. het verrichten van onderzoek naar de staat van de volksgezondheid en de determinanten daarvan alsmede, waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan;
b. het toezicht op de naleving en de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid, een en ander voor zover de ambtenaren van het Staatstoezicht daarmede zijn belast bij of krachtens wettelijk voorschrift;
c. het geven of weigeren van de toestemming, bedoeld in artikel 40, derde lid, onder c, van de Geneesmiddelenwet.
2. Het Staatstoezicht heeft voorts tot taak het uitbrengen van adviezen en het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister op verzoek of uit eigen beweging, met betrekking tot hetgeen het Staatstoezicht op grond van het eerste lid ter kennis is gekomen.
3. De in het eerste lid, onder b, genoemde taken strekken zich ook uit tot de voorschriften van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen op het gebied van de volksgezondheid, voor zover de verordening toezicht op de naleving en opsporing van overtredingen daarvan vordert.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer onderdelen van het Staatstoezicht ressorteren onder een andere Minister dan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.

Samenvatting en conclusie J.Streekstra- van Lieshout p.48-51
De drie hoofdtaken van de IGZ zijn:
-het verzamelen van informatie die relevant is voor haar oordeel over de kwaliteit van gezondheidszorg,
-het beoordelen daarvan en
-naar aanleiding daarvan besluiten tot al dan niet uitoefenen van (handhavings)bevoegdheden.
De IGZ hanteert een handhavingscyclus, waarvan zowel het algemenen en concrete toezicht, als het preventieve en repressieve toezicht onderdeel zijn. In de afweging van een toezichthouder om al dan niet te handhaven speelt het toezichthoudersdilemma vaak een rol.
Bevoegdheden om te handhaven worden de IGZ toegekend in :
-de Gezondheidwet,
-de Awb
-specifieke wetgeving.
Voor haar oordeel vertrouwt de IGZ sterk op de informatie van interne toezichthouders, de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht van het ziekenhuis. Extern toezicht wordt uitgevoerd door oa NZa wn NMA. Helaas sluiten het interne en het externe toezicht niet goed op elkaar aan….
Kwaliteitsbewakers maken echter onvoldoende gebruik van bevoegdheden waarmee zij hun taak beter zouden kunnen vervullen….
Publiekrechtelijke toezichthouders worden zelden civielrechtelijk aansprakelijk gesteld….
De IGZ heeft geen absolute handhavingsplicht. Een relatieve handhavingsplicht wordt vooral gebaseerd op het vertrouwensbeginsel en art 2 EVRM.
Het handelen van de toezichthouder wordt door de rechter getoetst aan de Kelderluikcriteria. Er dient niet marginaal, maar volledig getoetst te worden of de maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelende toezichthouder is geschonden. Daarbij worden alle omstandigheden van het geval meegenomen.
Uit de laatste regelgeving (wetgeving) kan wel een specifiek ( en niet “slechts een algemene) plicht tot bescherming van de individuele patient en het voorkómen van schade afgeleid worden…..
p. 49 Bij falende toezichthouders is nagenoeg altijd sprake van nalaten te handelen. Echter niet ieder nalaten is verwijtbaar en aansprakelijkheid bij nalaten wordt dan ook zelden aanvaard. Tot nu toe wordt alleen bij zuiver nalaten, in noodsituatie, een plicht to handelen aanwezig geacht.
Hoewel nalaten van de IGZ niet altijd valt te definiëren als zuiver nalaten, kan naar mijn (Streekstra) mening in langdurige en ernstige risicovolle situaties desondanks sprake zijn van een handelingsplicht voor de IGZ.
Ook uit het vertrouwensbeginsel en artikel 2 EVRM vloeit een (relatieve) handhavingsplicht voor de IGZ voort en dus is terughoudendheid bij aansprakelijkheid voor toezichthouders die nalaten te handelen, juist vanwege hun speciale positie, minder noodzakelijk.
In Nederland bestaat voor toezicht houders geen algehele immuniteit tegen aansprakelijkheid.
Bovendien zou deze voor toezichthouders op het gebied van gezondheid en veiligheid stuiten op Europees recht. Met de onrechtmatigheid van het gedrag van de IGZ is dan ook tevens de verwijtbaarheid ervan gegeven. Verweer van de IGZ met een beroep op een rechtvaardigingsgrond (overmacht omdat bij het toezichthoudersdilemma een conflict van plichten is ontstaan, voorstelbaard in de casus Emmeloord) wordt niet gehonoreerd…
Het c.s.q.n – verband (conditio sine qua non) tussen schade en falend toezicht is voor de eisende patient echter vaak moeilijk aan te tonen. Om tegemoet te komen aan diens bewijslastproblemen, staan de rechter verschillende bewijsmethoden ter beschikking. De methode van verzwaarde stelplicht en het feitelijk vermoeden roepen weinig discussie op m maar onduidelijk is of de omkeringsregel in gevallen van bewijsnood bij falend toezicht kan worden toegepast. In gevallen van ernstige en langdurige normschending die geleid heeft tot schrijnende schadegevallen zoals in Emmeloord en Nijmegen, pleit ik (Streekstra) daar echter wel voor. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan gevoelens van rechtvaardigheid jegens het slachtoffers.
Het lage aantal claims tegen toezichthouders wordt mede veroorzaakt door het in Nederland geldend systeem van hoofdelijke aansprakelijkheid. Het systeem van subsidiaire aansprakelijkheid
biedt geen zinvol alternatief, maar bij complexe en omvangrijke schadegevallen zou een systeem van proportionele aansprakelijkheid wel een optie kunnen zijn.
……, toch kan uit de besproken casus de conclusie zijn dat de IGZ teveel heeft vertrouwd en te weinig heeft geverifieerd, gecontroleerd en gecorrigeerd.
Toezichthouders en kwaliteitsbewakers zouden beter gebruik moeten maken van
p.50 de mogelijkheden die de wet hen biedt, opdat ze de informatie verkrijgen die nodig is om hun taak goed te vervullen. Bovendien zouden zij eerder en vaker informatie over bijvoorbeeld slecht bestuurs-of financieel beleid moeten delen met elkaar omdat dergelijk beleid leidt tot negatieve consequenties voor patiëntenzorg.